Gardner
De term
De Amerikaanse psycholoog Howard Gardner stelde dat intelligentie niet één enkel vermogen is dat kan worden samengevat in een IQ-score. Volgens hem bestaat intelligentie uit meerdere relatief onafhankelijke vermogens. In deze benadering kan iemand op het ene gebied zeer sterk zijn en op een ander gebied gemiddeld of zelfs zwakker.
Het model van Gardner
Deze visie staat bekend als het model van meervoudige intelligentie (Multiple Intelligences). Gardner beschreef verschillende manieren waarop mensen problemen oplossen, leren en zich uitdrukken. Daarmee verschuift de aandacht van één algemene intelligentie naar een breder beeld van menselijke vermogens. (Zie verder IQ).
Het model van Gardner uitgewerkt
Gardner ontwikkelde zijn theorie van meervoudige intelligentie in de jaren tachtig van de twintigste eeuw. In plaats van intelligentie te zien als één algemene factor, stelde hij dat mensen beschikken over verschillende soorten cognitieve vermogens. Deze vermogens functioneren relatief zelfstandig en kunnen zich bij verschillende personen op uiteenlopende manieren ontwikkelen.
In zijn oorspronkelijke theorie beschreef Gardner zeven vormen van intelligentie. Later voegde hij een achtste vorm toe. Het gaat om de volgende gebieden:
- Linguïstische intelligentie (vaardigheid met taal)
- Logisch-mathematische intelligentie (redeneren en abstract denken)
- Visueel-ruimtelijke intelligentie (denken in beelden en patronen)
- Muzikale intelligentie (ritme en klank)
- Lichamelijk-kinesthetische intelligentie (beweging en motorische controle)
- Interpersoonlijke intelligentie (begrip van anderen)
- Intrapersoonlijke intelligentie (zelfkennis en reflectie)
- Natuurgerichte intelligentie (het herkennen van patronen in natuur en ecosystemen)
Met dit model wilde Gardner laten zien dat menselijke intelligentie breder is dan wat traditionele tests meten. Klassieke IQ-tests richten zich vooral op verbaal begrip, logisch redeneren en soms ruimtelijk inzicht. Gardner betoogde dat ook andere vormen van probleemoplossend vermogen intellectueel van aard kunnen zijn. Muzikale compositie, strategisch bewegen in sport of diep inzicht in menselijke relaties vereisen volgens hem eveneens complexe cognitieve processen.
In discussies over hoogbegaafdheid heeft deze theorie een belangrijke invloed gehad. Zij laat zien dat uitzonderlijke vermogens zich op verschillende manieren kunnen uiten. Iemand kan bijvoorbeeld sterk zijn in taal of abstract redeneren, maar ook in muziek, visuele verbeelding of sociale interactie. Daarmee helpt het model te begrijpen waarom sommige vormen van begaafdheid minder zichtbaar zijn binnen traditionele onderwijssystemen.
Tegelijk wordt het model van Gardner in de wetenschappelijke psychologie ook kritisch besproken. Veel onderzoekers benadrukken dat empirisch onderzoek vaak toch wijst op een zekere samenhang tussen cognitieve vermogens, soms aangeduid als de algemene intelligentiefactor g. Gardner zelf heeft echter steeds benadrukt dat zijn model niet bedoeld is als vervanging van alle intelligentietests, maar als een manier om het begrip intelligentie conceptueel te verbreden.
Voor het denken over hoogbegaafdheid betekent dit dat cognitieve talenten zich op meerdere domeinen kunnen manifesteren. Het model van Gardner nodigt uit om niet alleen naar academische prestaties te kijken, maar ook naar andere vormen van complex denken, creativiteit en probleemoplossing. Daardoor kan het helpen om een rijker beeld te krijgen van menselijke vermogens en de verschillende manieren waarop intelligentie tot uitdrukking komt.
